NAAR DE BERG

maar in hoeverre het mogelijk is om de lieflijkheid van de gele boterbloemen en van de witte madelieven te verhalen
of de zachtheid van de kleinste borderbloemen.

Ergens dwingt de natuurpracht groen in groen in groen in groen.
Elders fluit een merel.
Elders speelt datzelfde kind.

De boterbloem keert haar blaadjes naar de zon,
de madelief,
het groen in groen,

of ligt een berg nog traag te rusten,
splijt dan,
splijt

en zegt: ‘mijn kracht is niet te evenaren. Toch ben ik klein, veel kleiner dan de hoogste berg.’
Hij splijt, verzet een stap, hij wandelt, wandert, ijsbeert –

denkt –
over zijn wortels in de aarde,
over zijn ijs in de hoge luchten.

Luid gekraak.
De berg is twee, de berg is drie, de berg is vier.

Sommigen beweren dat ze hem horen lachen.
Sommigen beweren dat hij een IJslands sprookje is, gevuld met vreemde mensendingen (gekke neuzen, oude talen, drankjes van veel groen met bruin),

of zeggen dat een Eskimo het dorp vergroot heeft tot een heuse wereldstad met hier kanalen, daar een kronkeltoren, her een boom, zo knoestig, en een dwerg of tien.

De berg pauzeert en hij herademt in zijn tweede, derde, vierde.
Zegt: ‘een grot,’ zegt dan: ‘een gletsjer,’ zegt: ‘een leeuw met rode wangen,’

beweert: ‘ik ben een tekening van mensenhanden. Ik ben wat rots, ik ben wat boom en gras en sneeuw en lange banen – ijs’

en vertelt voort, over de oude volksverhalen, over een heks, over een elfde dwerg en lage onweerswolken, plaats makend voor – zon.

TIEN CENTIMETER MAAL TIEN CENTIMETER IS HONDERD VIERKANTE CENTIMETER.

Er is sprake van een blauw doek, van varkens, van wolven,
van schimmig grijnzen en van vleermuizen langs je wang.
Er is sprake van koude winters en van grauw gespuis.
Ergens loopt een roze olifant.
Elders twee pauwen.
Linksonder in het vierkant: een schets van een stoel.
Een jongetje dartelt rond een van de stoelpoten. Hij heeft
een rode sjaal, speelt met de sjaal, wikkelt die rond een poot,
trekt de stoel een eind voort, keurt het werk, dartelt nog wat,
maakt de sjaal los en springt hoog, tot op de stoel.
Hij gooit de sjaal naar beneden.
Rechtsonder in het vierkant: de sjaal. Het jongetje maakt een
korte wandeling – de stoel laten we in het midden – en
de sjaal ligt daar voor iedereen.
Een iemand ziet het, weet dat de sjaal voor iedereen bestemd is
en hij steekt zijn hand in de prent. De sjaal beweegt, vlijt zich
tegen de hand, aait, ademt via de poriën van de hand.
De hand weet.
Ondertussen bewegen de horizontale lijnen van de schets.
Ondertussen bewegen de verticale lijnen van de schets.
Het jongetje kijkt verwonderd, rukt de sjaal uit de hand,
knoopt de sjaal om een poot van de stoel.
Het jongetje praat. Tegen wie?
De lijnen van de schets bewegen alweer.
De stoel vloekt, zegt dat hij liever in een stabiele prent zou staan.
Het jongetje kijkt.
Hij dartelt, hij twijfelt, hij neemt de sjaal, hij danst rond de poten
van de stoel.
Rechtsboven de vleermuizen, de varkens.
De lijnen bewegen.
Het jongetje voelt, het jongetje dartelt.
Linksboven een wolf en een schimmige grijns.
Het jongetje danst met zijn rode sjaal, het jongetje speelt.

Nieuwjaarsvuren

De nieuwjaarsvuren zijn van wooorden dit jaar
in alle talen van de wereld en in letters,
zodat alles op een hoop geveegd kan worden en opnieuw begonnen
wat niemand meer kon verstaan

De cijfers zijn uitgerukt in hun verslagenheid met dichte kelen

We staan allemaal naakt onder de zwarte hemel,
waarin het licht woorden spreekt

wij hoeven onze boodschappen niet meer te kiezen,
onze monden eten lichtvuren en woorden spijzigen ons

gezond verstand wordt niet meer bezongen
ons onbezonnen werk kan aanvangen met een eerste blik
naar de ander die in onze ogen een roofdier was

we hebben alleen nog waarover we zingen en
houden elkaar vast,

zoals paniek vasthoud en verkommert
lossen wij wat wij vasthouden in voor het vloeiende gulle gedeelde

Judith V. 30 december 2012

De Wachter

de wachter houdt zijn wake bij het dode meisje,
de illusie grijpt hem in gedroomde taal, hij zingt zijn levende woorden,
een ballade van de zon die zijn stralen op het liefdsespaar schijnt
opdat hun liefde nooit geblust zal worden en in de prijzenkast van
geliefden glanzend gehouden wordt

het strand verwaait de woorden die gisteren geschreven werden
omhelzingen liggen als dwergen op hun buik, te ruste een leeuwedronk
op de jonge nazaten van de tijd
Zeurderige stemmen halen uit naar de branding waarin een verstorven
schreeuw om hulp
zich richt naar de eeuwige horizon, die smaakt naar ongenade en verschaalde tijd

hoe triest  is de oude zwaan die ten laatste maal zijn machtige
zwanehals naar het water buigt
zijn dagen gekoesterd ziet in de levensspiegel en zich vervouwd met al
zijn ledematen tot wat is geweest
neem me maar niet meer mee zeg ik de dagen, laat me achter in de
neerwaartse spiraal, tot haar diepste punt
waar de vragen opnieuw beginnen als het openen van een hand, als het
knuistje van de boreling
bescherm ik de palmen van mijn handen met mijn vingers en grendel ze
af met de duim,
en er ligt geen stijfheid in besloten maar slecht een schuim op de levensdrank

Judith V. 28 december 2012

De Grote Hermes

De zilte hemel van mijn gevloerde herinnering
wordt gekliefd door het vierbenige paard,
De Grote Hermes streelt mijn naar het geluk gekeerde wang
als ik de tijd vermei en iedere seconde aanzit aan het speelse banket,

tranen raken geroerd in de zijwegen en zwijgen
de ruimte spreekt en predikt haar onvermijdbare weelde
wijd uiteen gaan de spokenrijen voor de kiezels van mijn woorden,
gouden lentelicht verzaakt nooit een liefdespaar, als het in omstrengeling
het stof van de mond kust, het gesproken gebaar
predikt voor de stenigende gangen van gezworen banden

Het kind komt allang niet meer uit de moeder,
grootgebracht en voltooid in baden vol zwellende ideeen
gehoord en overhoord, bij de druiden in hun glooiingen
is het de moeder die de eierschaal heeft gebroken en vergeelde woorden
buitenom naar voren brengt bij de slakkegang van haar heupen

liefde spiegelt zijn gelaat in mijn spiegel
sterker dan de innerlijke gewaarwording van een ik
enkele spreuken gordelen nog mijn verledens,
tot de schapen geschoren hun zwangere gaven omzwachtelen met groen

Judith V. 24 december 2012

Gedachtelozing

   De graven lachen hun dichte monden
   brengen allang verborgen beelden
   hun roepstemmen dringen mijn lippen binnen
   als hulp die ik aanroep voor deze dag

    eens zag ik mijn meester vallen als een bijl,
    nu licht zijn macht buiten mijn vragen,
    als ik op de deelnaad van mijn lichaam breek
    niet wetende welke terugtocht naar de nacht
    welke onneembare helling mijn lijf moet bemachtigen
    om een enkele stap naar het weidse licht te dragen

    Kind in je huldedekens nog in slaap
    de schemering van jouw weten onbekend
    met de onmachtige stemmen,
    die mijn spraak aanvallen met molenstenen
    de mening in de schare van liefdeswoorden vermalen
    welk meel, welke stof bakt deze onomwonden aangebroken dag
    groot en vol stuifmeel van een riekende waan

Judith V. 24 december 2012

HET BESTE

’t Is geen cirkel ’t is een spiraal rondomrondrondomrond en het zijn lijnen van woorden verbindingen van vibraties tussen mensen draden rondomrond #altijdgroter.
terwijl hanne de ziel en peter de andere ziel en jelle de zoveelste en alle anderen tekent de spiraal meer verbindingen groter en rondomrond alweer tot het blad te klein tot de kamer te klein tot het dorp.
tussen de bedrijven de marketing de filmpjes de vele beloftes over het rode en het beste en het goedkoopste en het langdurigste en het meeste succes met – en dan de statistieken en de eurotekens
en terwijl alle zielen dansen rond het vuur urenlang dagenlang en zij blijven maar en zij zweten en zijn in feite te moe en blijven geven die energie en de heupen en de ogen en het vocht
– van zweten tot
tussen de bedrijven de ceo’s en hun auto’s en de vuilniscontainers op de parking en twee daklozen zoeken en ze vinden grote dikke vellen karton om op te
– slapen
rondomrond de volgende dag de volgende maand een nieuwe lijn in de boom en de man met de boomzaag en de boom ligt over het pad en de buurvrouw klaagt want haar hond kan niet springen en
en
rondomrond #altijdgroter.
tussen de bedrijven de marketing over de beste nachten en de grootste hemels en de meeste sterren en de warmste zon en ze verkopen de derde zon voor een spotprijs wegens lichtbeschadigd
rondomrond tiert een van de vrouwen over het vuil in de tuinen en ze volgt de vrouw met de hond die niet over de boom kon en ze tekent de petitie tegen het bos vanwege de padenvervuilende bomen en het gebrek aan mannen met professionele kettingzagen en ze zegt het is als de zee die zich in de zee trekt en de algen op de stranden en de achtergebleven resten en een kapotte fles enkel nog in resten scherven niet eens een –

ondertussen is het dag is het nacht is het dag is het nacht en de zielen zij dansen en zij kennen geen STOP en zij zeggen zij moeten voortdoen of de aarde STOPT en zij gooien met zand naar het zand en zij zeggen het zijn grote hopen en ze vergelijken met woestijnen en zij gebruiken de woorden rond en aarde en ze spreken over de omtrek en berekenen het aantal exacte kilomters STOP er is een verschil met het officiële

Een man vindt de tijd om te rusten en beweegt niet, volgt met zijn vinger de volgende cirkel en ziet dat de mensen de dansers on and on and on en het zwetende vocht en het stampen op de algen en de scherven van de flessen en de zee trekt naar de zee en de maan

a #

Image

ze vlogen laag soms met hun buiken van het water slurpend en die dan direct intrekkend omdat het koud was omdat niet alleen het water al koud was maar ook de hemel en de sterren de sterren in het bijzonder tot afgrijzen toe ijzig en stekelig zoals in de russische volkssprookjes ze vlogen lang en als ze vleugels hadden zouden ze al verlamd en moe zijn maar vleugels hadden ze niet dus werden andere lichaamsdelen moe neuzen oren hielen het zeurde ergens in de knieholte en armen werden uitgewrongen maar ze vlogen verder volgens de tijdloze zonneklok de weg verifiërend mekaar in de ogen kijkend en soms een beetje kreupel lopend tegen elkaars borst om naar de hartmorse te luisteren ze vlogen eigenlijk nogal rechtdoor maar toch zijn ze verdwaald verongelukt vermist vernield

=-=

vertel me hoe je dag was wat bracht die van lekkers en zoets heeft hij je geurig ondoordringbaar eten gevoerd of was het soms te simpel of te bitter

 

we kijken nu de straat op met propere gewassen ramen glijden op heldere blinkende vloeren alle stof is weg alle potjes en pannetjes zijn vol groentjes en graantjes maar anders is het zo leeg

 

en het trekt zo van de staart schuin naar mijn linkerslaap trekt het me naar jou toe en niet verder

 

=-=

 

 

Schoner dan een Minnaar kwam de Dood …

 

  Schoner dan een minnaar kwam de dood eraan,
  in de hinderlagen van het bestaan waste ik hem af, van mijn meisjeslichaam,
  zijn allervriendelijkst gezicht doet mijn onafscheidelijke ogen bedaren
  van de steden vol pijn in mijn hart, mijn leven een niemendal en
toch gekweld
  neigt naar een vooraf, leeft zichzelf terug, toen ik in onbestaan was,
  mijn stuit dichtbij mijn kruin duwt tegen de grond om de boog van mijn rug
  als een begin van schrijven met  dit in ik onderduikende aanwezige belijden

  oh dood mijn vreugd te zien dat ik ken en schuw als een konijntje
mijn hol inren
  om al mijn bestedingen te wijden aan uren in wuivend witte vlammen
als steekproeven
  met de vinger van mijn hand op de tocht van jawoorden, zwaar gewapend heb ik
 in gedachten gehouden dat het stuiptrekkende van de dood afkomstig ware,
 vermoeid leeft het voort, en mijn kinderen zien mij nog staan hoewel
ik hier niet stond,
 bewaak ik uw ogen als twee blauwe vuren die ineen slaan wat in mij is verlopen

 

Judith V. , 11 October 2012

GRIEP (III)

Het betreft een en dezelfde epidemie.

Ja, dat zijn de varianten.

Duizend? Tienduizend? Honderdduizend?

Plus de maskers, natuurlijk.

Ja, ik bedoel de epidemie, dat zei ik toch?

In stad A1 heet ze ‘Variant #3666’, in stad A2 ‘Variant #2112 met afwijking 363’, in stad A3 ‘Variant #8622 met afwijkingen 128 en 389’.

Dat weet ik niet.

Vorige week. Plots. In alle steden van de wereld, overal tegelijkertijd, daar lijkt het toch op, ook in de overzeese C-steden.

Jawel, ook in C38.

Als oude, stinkende etterbuilen. Grote.

Hetzelfde. Ze hebben dezelfde oorsprong.

Bonkend.

O ja, ook die in de C-steden. Dacht je nu echt dat die er aan zouden ontsnappen?

Je weet toch wat de oorsprong is?

Ja.

Bonkend. Je kan het zien aan de slapen van de steden.

Ja, die hebben slapen. Let maar eens op. En let op de aders, vooral. Ze dreunen, bonkend.

Rook gevulde Ogen

 

  rook gevulde ogen dompelen een eindeloze vrede
  in het slapende lichaam, een berg van ongekende ketenen
  stemmen af op het ingebonden hart, oord van de dood en vreemder
  dan de verre onverstreken stilte waarop ik wacht,
  huilend als een schaap omdat ik geslagen wordt met slaap,
  in kronkelende zware strelingen overstekend naar de schijndood,
  breekt mijn lach de klagende ondertoon van gebed, dat lied
  dat mijn keel doorsnijdt en de as van mijn rug draait tot horizon zwart
  totdat zwart mij de droefenis bedekt en de koude aanraakt van het lijfgevecht
  een ogenblik dringt de geest haar heldere indrukken terug naar het
oog, de mond,
  en ontwaakt een levende voet onder mij, sta ik op, staan op honderd
dode gewonden
  de blaren der ontsteltenis een haven te zoeken in bloed zoals mijn
zintuigen dan dweilen kunnen
  tot…tot ik verlang te sterven en vrij het verzuim te beminnen van
de pijn die bruusk en wellustig
  de gaten stopt die mijn poort naar de werkelijkheid vormen, marasmus,
  zonde van de zonde van de zondepoort der gerstoorde, het lood dreinerig
  van een honger-eb, inzondering zonder uitsluisel aan ik, te geef
als het schip,aan de zee
 voor een verdrinkingsdood die je moet uitstellen, geraakt in beeld
om de snede te herinneren
 die zonder diepte is, een rechte ongerande sluitvorm in haar zwijgoffer,
 want diep is de dood diep heb ik haar leeg gekeerd over mijn dag,
en heb haar gelost bij een gebod dat damed kuist en hen laat blazen
tot ze schaduw worden
over het koren onder de brandende zon, in levende lijve  maar gedoofd
en ongeloofd,
wanneer werd het loof het koord naar de rede een strook van
daadwerkelijke gedachtes,
het zachte ongeproefde zoete woord volgezongen met schroot en strohalmen

 

Judith V. 10 october 2012

DONKERROOD

Hij zegt ja zij zegt ja hij zucht ja zij zucht ja hij zegt ja zij zegt nee hij zegt jawel zij zegt nietwaar.
Hij duwt ja zij zegt nee hij neemt zijn dolk hij steekt en draait met de dolk de wonde zal niet genezen zij zegt ja zij zegt nee hij zegt jawel.
Van de dolk maakt hij een naald ze voelt die amper en ze zegt o ja ze zegt nee hij zegt jawel ze zegt nee nee.
Hij klemt de naald in zijn handen en de naald wordt weer een dolk en hij draait met de dolk en de wonde en de dolk wordt terug naald.
Zij zegt blijf zij zegt ga weg hij zegt nee zij zegt ja hij zegt nooit zij zegt nu.
Hij klemt de naald in zijn handen in zijn vier handen in zijn acht handen met meer dan zijn kracht duwt hij de naald wordt weer dolk en hij draait met de dolk en de wonde.
Zij huilt zij bloedt zij zegt nee zij zegt ja hij zegt ja ja hij zegt je bent van mij.
Zij zegt nee hij zegt ja zij gilt nee hij brult ja ja.
De naald verandert de dolk verandert zij wiegt met haar heupen hij zegt ja zij zegt nee hij brult ja zij heupwiegt zij zegt ja zij zegt nee.
De naald de dolk het bloed de stem de andere stem zij fluisteren zij zeggen ja zij zeggen nee zij brullen nee zij fluisteren ja o opnieuw zij zeggen nee nooit zij zeggen ja voor nu en voor altijd de dolk wordt naald de naald wordt dolk.
Hij zegt zie je wel zij zegt nooit hij klemt met duizend handen het bloedt het wondt het geneest het geneest niet de dolk draait het bloed loopt over haar armen en gezicht zijn lippen proeven hij zegt ja.
Zij zegt nee zij huilt ze heupwiegt ze heupwiegt niet ze loopt naar buiten ze heupwiegt ze loopt naar binnen hij loopt naar buiten en naar binnen hij zegt blijf.
Ze zegt ja ze zegt nee hij neemt de dolk hij zegt jouw hart hij neemt de dolk zij zegt ja zij zegt nee hij zegt ja

GROEN

En krink’lend de bloemen
en wink’lend haar vrolijkheid
en fluisterend haar stem
en peddelend de glans van het water
en lovend in groen

de eenzame man vertelde eens, de eenzame man zag zijn toehoorders, de eenzame man zag de kleur van haar huid en haar haren, de eenzame man schreef een gedicht

en krink’lend de bloemen
en wink’lend haar vrolijkheid
en de klaprozen
en de goudbloemen
en het buigen van het riet
en de klank van het water

de eenzame man zag een visser, de eenzame man zag de vangst, de eenzame man boorde beide handen door het lied van de visser
en hij zag de kleur van haar huid en haar haren

en krink’lend o de bloemen
en levend o het waterding
en weifelend de wolken
en goudschitterend het mooiste lied
notenbalken en kracht van de componiste
en platina woorden
en zijde

de eenzame man wist zijn blik troebel, de eenzame man liep voorbij het lied van de visser, zijn handen,
en hij kende de kleur van haar huid en haar haren

en lieflijk, zij
en krink’lend o de bloemen
en hoogst zingend in klaprozen
en vingers beroerend het water,
zijn glans
en titanium op het water
en duizend planeten
en hemels

de eenzame man wist de tijd, hij veegde, hij klemde, hij veegde, hij zong een oud lied, zijn stem brak over het water.

Knok & Co.

 

God mijn leven,
   een vogel rondom de nok van het dak,
   eenzelvig  de cirkel
   van het ouderpaar sluitend
  steeds opniew in een gebroken band,
  kwijnende groep van leugens tot mijn stille postuur gemaakt,
  als een verzorgd kwaad, te goed voor gestorte pijn,
  mijn ledigheid, mijn zonde: door verstikking heen geleefde wonderen
  volbracht door mijzelf uit te gieten in cement, een vernietiging
  op handen van tokkelende deernis, om de haat die ik meedraag
  om te leggen en door de passage Gods weerneem
  wat ik hooghield om in het tillen een zelf te ervaren,
   dat droevig bijkomt van het toeval dat haar schadebloei toont,
  oh god ik lik U een lach om de mond, tot ik een lengte ben,
  waarin mijn afstand waakt over mijzelf,
  zinloosheden verwijder ik als aanwas
  die mij ongemoeid laat, een zoeter kind van voorlopigheid
  zal uit mij zijn daad scheppen, naarmate het donker
  in mij de zon huldigt, die in mijn ongelijke steken opbrand.
  Zo misverstand mijn waar genaamde roepen hoort
  zal mijn eenzaamheid een meer van beminnen zijn
  Uw oogschuw lied vond een stipte afkerige
  als ik mijn leugens bid, zoog ik de verstomping
en breng het waardeloze tot zijn beperkte weergaloze strijdvorm

#

dat het hem niet uitmaakt
waar ik nu aan denk
omdat hij wil slapen en slaapt.

omdat het geen zin heeft om met de wind
om het hardst te lopen om terug te keren in het lentebos
waar de naakte takken mekaar betasten
(leef je nog?) en de houtsnip kwekt.

dat de wind me inhaalt openhaalt
als een zeil over de helft van de hemel. mijn schaduw
bedekt zijn stad zijn huis. hij ligt met de armen breeduit,
kermt in zijn slaap op zoek naar mij. met de tochttong
lik ik de zweetdruppels van zijn voorhoofd af; en
hou niet van hem; ik, het onweer komt.

Fragments, the ancient lore of Asemia (1)

“I’ll kiss you again when the rivers run dry”

dv, 2012, charcoal and pencil on paper,26×10,6 cm



kantelen

En links werd het wilde water zacht

en vlinders

en rechts werd het zware geritsel van kranten

het klaterend goud van de rozen,

beige siddering van gaas van gordijnen.

(Een man en een vrouw zaten naast elkaar. De man legde zijn hand op het linker bovenbeen van de vrouw. Zij hield het hoofd gebogen. “Wat is er?” vroeg hij.)

Terwijl het wilde water de kentering bij de kraag greep

en meeuwen, krabben en kreeften, kwallen en zwevende schelpen

(De zon ging onder. De nacht riep op de maan, de wolken verdwenen, de sterren overheersten.)

De volgende dag zat de zon op het water, zij vertelde
- over glinsteringen
zij speelde
- met ongrijpbaar licht
zij sprak
- zoals enkel de vissen dat kunnen
zij toverde
- dagen, gevangen door seconden, weerspiegeld in iedere beweging

Van hier naar daar
Van licht naar licht
Van golf naar golf

Zo links werd het wilde water water, en zacht

en vlinders.

(Is het een dans, is het een ode aan het leven, is het mijn eerbetoon hier, aan jou, aan jouw woorden, de kantelen die zij vormen,
zo praat hij, zijn hand rust nog steeds op haar been. Zij zien de rust van het water, voelen de zon op de muur, op het gras, zien de
onmetelijkheid van het leven.)

In de naamloze Tijd

 

Wachten was zwaard vatten,  in mijn uitgestrekte gedachte,
   de weide zonder kudde, de laatste, allerlaatste mens,
   een druppel, decenkele waarin ik verdronk,
   maandenlange schemer voor het zicht van twee ogen
   die broden zagen uitgedrukt in de stem, band van twee mensen
   de ene als dans de ander in de vlucht, boven de grauwe wereld,
   de mok wordt opgetild door de hand die haar aanpak kenbaar
   maakt in het gevoel, dat zwaar als een dood lichaam aangeeft
   waaruit ik drinken moet, als een een eend die de vijver waarin hij zwom
   leegdrinkt met zichzelf erin, dan generzijds de kracht is opgebracht
   van het beeld met zichzelf bewaakt van de teloorgang, die hem niet
   vergeven was door en door herinnerd  wat stom gestempeld werd
   in de ruimte waarin het zwaard zijn uitvalsbewijs doet, als het getoond
  woord in de weergave van beeld en ziel, op een voet, bal en hiel, twee
  die een brug gevormd hebben en de  ruine tillen tot de hemel,

   Ik wacht in de naamloze tijd, til mijn stenen beker,
   die zwaarder is dan de toren aan de eindtijd,
    zwart vocht is haar inhoud en ik drink wat mijn gedachte bevat,
   een leeggedronken toren, een dorst gelest met de zee,
   nu ben ik zout geworden een handvat in mijn reiken gedrukt
   laat mij wachten op gestorven tijd, want mijn adelaar keert weer,
   als later de belofte van zijn vlucht mij nederig streept in dank-licht-dank
   gevolgd door de beweging van mijn zwaartillende ogen,
   in de kling van het zwaard hoorde ik de vleugeldrager die
   ziijn kleed afstond aan het uur  van mijn  eindeloze in alle
cellen wakende lachen

 

 

Judith V., St. Jansdag 2012

volledig bereid gerecht (verklaring op keerzijde)

Zinderend weerzien
Gevallen voor de prins
Trots en onweerstaanbaar
Prinses incognito
Verboden droom
Onmogelijke begeerte
Liefde in de knop
Griekse droom
Zijn diepste verlangen
Verrassend aantrekkelijk
Onverwacht zoet
Feest van verleiding
De ontembare prins
De onbuigzame prins
De ongenaakbare prins
Betaalde bruid
Italiaans voor beginners
Onvoorziene verleiding
Perfecte minnaar, perfecte papa?
Onzeker hart
Schittering in de woestijn
Gekust door de tycoon
Prinses incognito
Stormachtige passie
Spaanse verleider
Hartstocht en strijd
Ontembare begeerte
Als een bloeiende roos
Ridder bij ochtendlicht
Onverwachte kus
Heerser van haar hart
Griekse passie
Onder twinkelende sterren
Koninklijke verrassing
Tweeling op komst!
Gedurfd spel!

IK e.a.

intro

Er belt een tijdsblein op mijn tong ze
springt niet open ik hou mijzelven
binnensmonds tot ik langzaam in
de geulen van uw leugens  kom

& kom & kom & kom

komt maar afgedropen van mijn zon, het lijf
dat zodanig is verkolkt in mij tot avondrood
dat ik mijzelven in mijzelven zakken zie
& zo zal al het zien de zon doen zakken
tot ik ik ben bij uw vele vele vele

vellen vol met eigeel van de anderen dan ik ik ik
ik e.a.

& in mijn taaie taaie linkerkloot bijt ik tot ik
ikken kan in´t geel in ´t blauw in ´t groot:
& de verlichting vinden kan in´t ik van
niets anders dan IK e.a.

IK e.a.

IK e.a.

 

[prikkelend pianospel ontlokkende de zingezang aan zanger izeganz]

 

Onder de malende maan
heel alleen schuift heen
door uitgebeende smurrie heen
den Grooten Stoomboot van het Leven

de droeve schroef ruist daar in ‘t donker
waar schroefruist droef de schroef?
in ‘t  donker
daar ruist zij schroef
in het in der zeëen waart zij rond
als ware zij
verpakkingsslierten sliertende
om vele bouwpaketten uit de maag der Boot

wat slierten om de slierten daar ? Zij slierten òm de vele
taaie bouwpakketten van den grooten pakketboot
die oplicht als een vurige vuurtong aan het eind
van de etterende koplampenslierten (u schuifelt
in uw koplampkastje, vreet de olie, schijt de damp
& schuifelt naar de ingang van het kamp

o IK E.A. wat geeft gij ons ter kerstboom toch
een wondermooie lichten!
o IK E.A. wat richt gij ons de hoofden toch
eenparig in de hoogten!
O IK E.A. hoe voedt gij ons goedkoop de dood als snoep
ge kunt er zelf niet voor beginnen koken
O IK E.A. hoe mergelt gij niet al uw werkvolk uit
tot groot jolijt van onze snuit
IK E.A.  O IK E.A.
OIKEAOIKEA
AIKEO OIKEA
untsoweiter

Athene

Athene

Mingus, gevederde vriend,

Er zijn van die gebouwen die meesterlijk zijn in hun lelijkheid. Brussel bulkt ervan. Maar soms zit er achter een bedrieglijk banale gevel, achter een ogenschijnlijk eenvoudige façade, achter een ronduit foeilelijke betonnen muur, een meesterwerk. Het duurt soms jaren voor je het vindt. Soms zoek je je rot naar datgene wat eigenlijk voor de hand ligt, maar een enkele keer, komt datgene wat je niet meer had verwacht, gewoon naar je toe. Misschien is het een kwestie van geluk. Of van liefde voor het vak. Of van liefde tout court.

Het begon allemaal vrij onschuldig. Mijn architecturale nieuwsgierigheid dreef me richting Elsene, waar ik foto’s wilde maken van het radiogebouw op het Flageyplein. Aan het Centraal Station stond ontzettend veel volk te wachten. Ik stapte op bus 38, waar ik me nauwelijks staande kon houden, want zoals gewoonlijk zat de bus vol oude dames met hondjes en vrouwen met hoofddoeken en onoverzichtelijke kudden van kinderen. Voor ik er erg in had, had één van die dreumesen mijn elleboog in haar oogje gekregen, met als gevolg dat de hele bus gniffelend toekeek hoe ik door een kijvende moeder uitgescholden Continue reading

Haas

Want mijn naam is haas.
ik dans.
ik dàns ter gelegenheid van de opening van de nieuwe supermarkt.

de supermarkt is groter dan het dorp.
er worden plastiek eieren verkocht.
en flashy wortels.
en grotere dan grote tomaten.

ik heb mijn mooiste pak aan.
ik dans.
zij hebben hun mooiste pak aan.
zij dansen.

het is feest in hazendorp.
het is feest in hazenstad.
de nieuwe supermarkt.
de wolken zijn versierd.
de straat is nieuw.
het glas blinkt.
de wortels schieten vuurwerk.
er zijn tienduizend nieuwe ballonnenkleuren, pas uitgevonden, de marketingafdeling is bezig met de promotie ervan en de opening van de nieuwe supermarkt is slechts 1 van de stunten om bekendheid te geven aan de tienduizend ballonnenkleuren.
alle hazen kunnen een reis winnen.

het marketingteam zegt ‘geloof ons, geloof ons gerust! wij zijn de besten, wij zijn de beteren, onze valkuilen zijn geen valkuilen, onze supermarkten, onze plastiek eieren, onze flashy wortels en tomaten zijn bloedecht, de smaak is nieuw, de grootte is nieuw, de inhouden zijn nieuw, de marketing betaalt zichzelf, de bedrijfsleiders krijgen geen hoog loon, onze energie is groener dan groen en niet overheid-gerelateerd en wij hebben geen netwerking en geen lobby-werking en geen niks, wij zijn heus en echt en waarachtig goed, zo goed.’

want mijn naam is haas.
ik ben moe.
het was een knal-feest.
ik heb drie plastiek eieren gekocht
ik heb vier flashy wortels gekocht
en vierhonderd nieuwekleurenballonnen.

Darkness

 

En het donker was daar, om de schrijnende stilte te verscheuren
     met de willende vlam, naar de parel van de gefluisterde stad binnenin
     mijn optilarmen, de sleutel tot een ring van waarheid om de pink en
     bungelend boven de torenende kluit van de wekelijke inborst,
     de drank van mijn lichaam, opgenomen door de aard van een
onbestaanbaar geluk,

     de ruglig schraagt mijn planetaire gemoed, voor de val
uitgeschoten en treffend haar lot
     balkend als een ezel, belegd met sterren mijn brood, van een
liefde die het licht zou zien
     ware niet de duistere kom haar rustige toeverlaat, de zwarte
bult haar borst die lenigt,
     wat mij kan spijten, een plaats tussenin afnemen en herinneren
van lagen stof,
     de strofe vervlochten tot het koord van boom naar boom en vraag
en antwoord,

     zo afmattend is de stilte van het vroege geboorte-uur, nu met de
diepte genood
     tot haar vrije cirkels van opslag en kluunoorden waarin de
liefde droog op de oefenbaar
     gaart en pijnlijk later om de schouder geslagen vergeefse
liederen leert aan het getemperde licht,
     tot een vlugdonker eigenaardig geplant schaduwkind om mijn benen
als een wingerd houvast krijgt
     en vergroeid met de loodlijn en het zwaartepunt van de zoekende
gevallene vleugels die omschouwen
     waar het licht de kamelen groet, hun dikke melk geschonken aan
de uitputting,
     van mijn honger kom ik niet om en van mijn liefde lijd er geen dorst,
     maar de aanvalsgeest van de zon, de psyche der tijdstralende
lichting vissen in mijn hand,

     ook bloed smaakt ijzer, maakt sterke wijzers eewigdurend rond de
donder, jeuk der grondlijk
     doet de opstand uitslaan naar liefdeswoorden in het gezicht van
de obelisk, die haar huid al opgaf
     toen de vampier een hoektand schielijk bedong bij de duvelse
duurzalen waar een doordringbare mis korstig zingt.

     mijn liefde liegt, mijn wieg is licht, nog lichter ligt de
waarheid in mijn hart

 

Judith V. 17 Juni 2012