maar in hoeverre het mogelijk is om de lieflijkheid van de gele boterbloemen en van de witte madelieven te verhalen
of de zachtheid van de kleinste borderbloemen.
Ergens dwingt de natuurpracht groen in groen in groen in groen.
Elders fluit een merel.
Elders speelt datzelfde kind.
De boterbloem keert haar blaadjes naar de zon,
de madelief,
het groen in groen,
of ligt een berg nog traag te rusten,
splijt dan,
splijt
en zegt: ‘mijn kracht is niet te evenaren. Toch ben ik klein, veel kleiner dan de hoogste berg.’
Hij splijt, verzet een stap, hij wandelt, wandert, ijsbeert –
denkt –
over zijn wortels in de aarde,
over zijn ijs in de hoge luchten.
Luid gekraak.
De berg is twee, de berg is drie, de berg is vier.
Sommigen beweren dat ze hem horen lachen.
Sommigen beweren dat hij een IJslands sprookje is, gevuld met vreemde mensendingen (gekke neuzen, oude talen, drankjes van veel groen met bruin),
of zeggen dat een Eskimo het dorp vergroot heeft tot een heuse wereldstad met hier kanalen, daar een kronkeltoren, her een boom, zo knoestig, en een dwerg of tien.
De berg pauzeert en hij herademt in zijn tweede, derde, vierde.
Zegt: ‘een grot,’ zegt dan: ‘een gletsjer,’ zegt: ‘een leeuw met rode wangen,’
beweert: ‘ik ben een tekening van mensenhanden. Ik ben wat rots, ik ben wat boom en gras en sneeuw en lange banen – ijs’
en vertelt voort, over de oude volksverhalen, over een heks, over een elfde dwerg en lage onweerswolken, plaats makend voor – zon.









































