STARTER          REDUX        ARCHIEF (NL)         International BLOG        NL LOG       SHOP               monADs

z

z

http://groups.google.com/group/Lionel_Ziprin

bericht van Ziprin's dood in de google groep

 

 

 

 

NKdeE LEXICON : zZ

z : Cathedral Alfabet File with .html extension containing an instance of the NKdeE Lexicon containing all entries starting with a zZ (and some other stuff)
zendsel: intermalig markeersel of an initieersel
Ziprin, Lionel: American Jewish Author Process, Cathedral Resident since 1/05/2005

NKdeE Lexicon pre-Beta (mock-up)

 

 

 

 

 

*STEEKPROEF: ANALOOG/ALLEGORISCH

 

In het NKdeE Lexicon staan kinderschoenen. Versleten. De in het nauw gedreven held. Koop een schilderij. De Cathedral DIR. De held ternauwernood ontsnapt aan. Hieronder en onderaan de meeste bestanden. De Webstrijd. Het overzicht van mogelijke bewegingsrichtingen van de Kathedraal. Het onzekerheidsprincipe. De niet-winkel van dit w(eb)oord want het einde. De gevleugelde held. Het net vergruist deze materie in extensu.

Een maalsteen maalt de hoofden der wachters in kantelen. De held bouwt een harp. Protestgeruis alsof er nog een zee was. Repelen is het scheiden van de zaaddozen van het vlasstro, waarbij als nevenproduct het bladkaf wordt gewonnen. De held in zak en as.

De heldin bemerkt de held. De heldin bedwingt zich denkende. Het onmiddellijk dorschen op veld- of zaadkleeden is eene wijs van inoogsten, waardoor men niet alles van de zaadteelt trekt, wat er van te wachten is. De heldin houdt zich in. Voor welke Theremin is dit schouderblad een vleugelslag? Een naderend lichaam, een lichaam neerzijgend. Waar staan de antennes?
De Cathedral DIR. Hannah Immaculata. Het zachtjes klotsen van viagramails in de boxen. Op dezelfde wijze. Het proces analyseren. Naar analogie. De verkwikte held. Corresponderen met emissie, verstrooing en absorptie.

Opruiingsgedrag bij zaagbekken, cfr, de ontologie van de contractie bij Giordano Bruno. De eendachtige watervogel Mergus L. (Duikergans, roséwaard, pinduiker, schrikvogel, pijlstaart, weeuwtje).
De vogel zoekt. De vogel zoekt vis. De vis schuilt. Hoe schuilt de vis? De vis schuilt in gedragspatronen. De vis maakt schools schuilplaatsen aan. De bek van de zaagbek schiet in het water. Niets vangt de bek. De vis gedraagt zich.

De zaagbek steekt de bek diep in de bodem. Modder vertroebelt het water. De vogel doorbreekt niet de stroomwijze van de rivier. De vogel doorbreekt plaatsen in de rivier. Op plaatsen waar geen vissen zijn. De plaatsen zijn gedragspatronen. De held bouwt een harp. Een harp voor het vangen van lichamen. Het glimmende voorhoofd van de held.

Eerst zal je schrikken. Dan moet je je schikken. Een schuim van protest. Tegenwoordig wordt de allegorie vooral gebruikt in openbare gebouwen. De harp bestaat uit vier stokken die elkaar achteraan kruisen, maar vooraan zich van elkaar verwijderend als antennes een immense richting pogen te bestrijken. Het glimmende voorhoofd van de befaamde fysicus als hij de stokjes naar de camera richt.

Wedergeboorte is een zegsel van lage, ondiepe golven. Hierna ain't no ait. De nittitellies verdringing zich in de wiebeldende pixels. Ze dansen de ifwa, ze zingen de fatwa, ze schrijven de wiki, ze spannen de zaag. De harp is een zaag. Men kan ze, overeenkomstig eene met der daad wezentlijke eigenaardigheid, verdeelen in span-zagen [...] en in zagen zonder spanning.

Amputatie van het staartbeen. Een vloedgolf venijn. Amputatie van betekenis. De naam Franquin. Dit schuimbad zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

no nag not nittitellies ifwa fatwa k lik o?! ( öder the return of the dreaded
marsipulami playing the Cathedral Harp before it was built)



rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRaaaAAAAAo
O no nag not nittitellies ifwa fatwa k  w iki  b lik
eli lia eli ile landni eeling g oozn o znot s tif pik
orroro orror o orethoro rotor rot s rot rt r tt rs ttor l u b tor  f  tub ni b ing
tradi trad e tria trodo ter i o i mn al lalli in g win g
bwt btw b weurk  wurk b bwa beu oargh rag ing
k t re era er a t k sss ss s nik a nd man u st ing

hubahuab huba
hagahaga hag
f rank uin r ul
t himle t hule oil oil oink!

(pinalvisti t quibbers it)

in kantl c astl h ussle t he eadle ss quash
th f w as blinkbl b ack dr awn

n

 

 

 

 

 

 

 

>.<

 

 

 

 

 

 

Z*
letter, als klank een medeklinker en als teeken het zes en twintigste en laatste van het alphabet; als znw. vr., mv. z's. De naam van de letter is zet (zed), eert. ook zedde (o.a. bij SPIEGHEL en nog in Gron., vgl. MOLEMA), ze (o.a. bij DE HEUITER, V.D. SCHUERE, V. HEULE en V. BELLEGHEM), zeet (LAMBRECHT) en daarnaast gewest. nog zidde (DE BO), zetta (JOOS, RUTTEN) en zedderbet in het Urksch (KOFFEMAN in Taal- en Lb. 6, 49 [1875], MEERTENS). I) Als klank. 1) De z behoort tot de tandletters; zij is daaronder de stemhebbende alveolaire spirant/fricatief, de zachte sisklank, tegenover den scherpen sisklank s. De klank komt voor aan het begin van woorden voor vocalen of w, in het midden van woorden (in stemhebbende omgeving), maar niet aan het woordeinde, waar de sisklank steeds stemloos is. Over het algemeen wordt de z slechts „half gestemd” uitgesproken (zij wordt stemloos ingezet en verkrijgt daarna stem). Sommige dialecten hebben (in anlaut) uitsl. stemlooze uitspraak, zooals het Friesch, het Stadsfriesch, het Midslandsch, het Amsterdamsch, het Zaansch, het Drechterlandsch, het Nijmeegsch (ook in inlaut) en het Huissensch (WEIJNEN, Dialectk.2 245-46 [1966] en WEIJNEN, Verg. Klankl. Ned. Dial. 121-22 [1991]). 2) In woorden van germ. oorsprong vertegenwoordigt de z een germ. s. Deze stemlooze fricatief was reeds in het Ownfr. stemhebbend geworden aan het woordbegin voor een vocaal of w, of in het woord in een stemhebbende omgeving. Die overgang vond niet in alle gevallen plaats. Hij bleef bij bep. woorden achterwege: a) als de beginlettergreep een korte vocaal + geminaat bevatte, b) om redenen van psychische intensiteit of van klanknabootsenden of klankschilderenden aard, c) indien die s een assimilatieproduct van ts was; voorts vindt men den s-klank aan het woordbegin voor vocaal ook nog in tal van ontleeningen (zie voor nadere bijzonderheden en voorbeelden SCHÖNFELD8 56-57 [1970]). Waar in genoemde gevallen de uitspraak in de alg. t. stemloos is, komt soms gewest. in bep. woorden juist de zachte sisklank voor, b.v. zap, zidderen, zikkel, zokke (vgl. DE BO, ENDEPOLS, GHIJSEN, RUTTEN). In het Gron., het Drechterlandsch en het Westfriesch bleef de s in sw stemloos (WEIJNEN, Verg. Klankl. Ned. Dial. 123 [1991]). II) Als teeken. A) Geschiedenis en gebruik. 1) De ontwikkeling tot exclusief gebruik van het teeken z voor den zachten sisklank. — Het Mnl. kende reeds de z ter weergave van den klank z, maar veel gebruikelijker daarvoor was de s, die dus zoowel een stemloozen als stemhebbenden sisklank kon voorstellen (V. HELTEN, Mnl. Spraakk. 150 [1887]). Van eenige consequente toepassing was nog geen sprake; z en s werden door elkaar gebruikt. Ook in het Nndl. ontbrak nog geruimen tijd een vaste regel voor het gebruik van s en z. Het meest gewone teeken voor den stemhebbenden klank was in de 16de en 17de e. de s, de z bleef daarbij nog ver achter. Wel vindt men al in de tweede helft van de 16de e. pleidooien voor z ter weergave van den zachten en voor s als teeken voor den scherpen sisklank, zooals bij DE HEUITER, Orthogr. (ed. DIBBETS) 45-47 [1581] en in Twe-spraack (ed. CARON) 30 [1584]. Een aantal 17de-e. grammatici nam ook dat standpunt in, maar van eenheid was niettemin nog lang geen sprake. In de „Resolutiën” voor de vertaling van den Statenbijbel had men voor den z-klank nog vrijwel steeds het teeken s, terwijl slechts een zeer beperkt aantal woorden de z-spelling kreeg toebedeeld (vgl. ZWAAN, Uit de gesch. der Ned. Spraakk. 100 [1939]). Door HUYGENS en DE RUYTER werd de z eveneens nog zelden gebruikt (vgl. KOELMANS, Teken en Klank 99 [1959]), terwijl VONDEL pas vanaf c. 1639 geregeld de z voor den stemhebbenden en de s voor den stemloozen spirant ging bezigen (MOLLER, ‘Vondel’s spelling' in Ts. 27, 112-14). Soms werden s en z benut om homoniemen te onderscheiden, b.v. sijn = bez. vnw. tgov. zijn = ww. (vgl. ZWAAN, a.w. 100). Het gebrek aan duidelijkheid en eenheid werd daarnaast nog in de hand gewerkt doordat anderen (o.a. AMPZING, DE HUBERT, LEUPENIUS, V. WINSCHOOTEN) juist het gebruik van z voor ts of scherpen s-klank bepleitten en dat van s voor den zachten sibilant bestemden, zich daarbij baseerend op de waarde als dubbele consonant van de lat. z en gr. z (vgl. ZWAAN, Uit de gesch. der Ned. Spraakk. 16 en 33 [1939] en DIBBETS, Orthogr. v. De Heuiter 166 [1968]). De Statenbijbelvertalers gebruikten eveneens de z om de Duitsche z (= ts) weer te geven (vgl. ZWAAN, a.w. 100). Ook 17de-e. woordenboeken wisten nog niet goed raad met de problematiek s/z (zie b.v. DE LA PORTE, D'ARSY en HEXHAM). Na alle verscheidenheid en verwarring in de 17de e. werd in de 18de e. het huidige gebruik van de teekens z en s voor resp. den stemhebbenden en den stemloozen klank gevestigd. Veelzeggend is in dat verband wat wordt opgemerkt in het voorbericht „Aen den lezer” in HANNOT-V. HOOGSTR. ** 1 a [1704]: „Voor wat nieus ... zal hier aengezien worden, dat woorden by anderen, ook by Kiliaen, met een S beginnende, nu met een Z worden geschreven; een wyze van spellen by my ten hoogsten goedt gekeurt, temeer omdat het onderscheit van klank tussen de S en Z tegenwoordig van de meesten aengemerkt en in acht genomen is”.Ook de 18de-e. grammatici en taalgeleerden gingen eensgezind die opvatting huldigen. In de praktijk bleven niettemin bij bep. woorden in dit tijdvak en bij sommige zelfs tot in de 19de e. de s/z-spellingen fluctueeren, zooals b.v. bij samen x zamen, sabbelen x zabbelen, somtijds x zomtijds, suizen x zuizen. Afgezien van derg. losse gevallen, kan men vaststellen dat het teeken z ter weergave van den zachten sisklank in de 19de e. algemeen ingang had gevonden. Een uitzondering vormt zestig, met stemlooze uitspraak van de z, die berust op vroegere ts (zie daarover verder SCHÖNFELD8 57 en 153), en ook voor zeventig is de uitspraak met scherpe s de gewone. Zie voor de spelling zuizen en zuizelen nog Dl. XVI, 537 en 540 en voor tzamen, zamen Dl. XVII2, 3599 en ZAMEN. 2) Aan het woordeinde komt de z in oorspr. ndl. woorden niet voor, wel is dat het geval bij ontleeningen (dan met s-uitspraak, of uitspraak als in de taal van herkomst): fez, jazz, pince-nez, weltschmerz, witz. Onder fr. invloed werd ook ndl. gas wel als gaz gespeld, zie over die spelling Dl. IV, 307, 3de alinea. 3) Ontleeningen, inz. aan het Fr., met s-spelling voor den klank z konden soms ook de ndl. spelwijze met z krijgen, vgl. poëzie en roze naast rose, praktizeeren (wsch. < ofr. pra(c)tiser) en lambrizeeren (< fr. lambrisser). Ontleeningen aan fr. ww. op -iser (en hun afl.) behouden normaal hun s, vgl. adviseeren, mechaniseeren, organiseeren, realiseeren enz. In Vl.-België is in derg. gevallen een z-spelling niet ongewoon. 4) In leenwoorden uit het It. staat de z(z) ook wel voor ts- of dz-uitspraak (aan het woordbegin voor vocaal), zooals resp. in muziektermen als pizzicato en zeloso (vgl. BOUMAN-BERNET KEMPERS, Vr. W. in de Muziek [1950]). 5) Het dubbele teeken zz (na onvolkomen, korte vocaal) komt niet voor in ndl. woorden, wel in ontleeningen als in puzzel, razzia, mazzel. B) Voorbeelden van het eig. gebruik, als letterteeken en als znw. vr., en in daarbij aansl. oneig. toep. 1) Eig. || Z wert wtgesproken in Nederduytsch als Z in Latijn, PLANT. [1573]. Gewent u te schriven s. en z. daer zij behoren deen in danders plaetse nimmermeer stellende, want met eender mouite aen neemdi goude en quade geweenten. Mede is hier inne gelegen een vande plompste misbruiken die onder onze Taelschrivers mogen bevonden warden, DE HEUITER, Orthogr. (ed. DIBBETS) 71 [1581]. De z is bequaem, om te gebruyken voor de klynk-Letteren ende w, daer de s te hard kommen zoude, V.D. SCHUERE, Nederd. Spellinge (ed. ZWAAN) 30 [1612]. Zed. Is een zoet-luydende Consonant, end' wil voor gheen Consonanten ghesteld zyn: dan alleen voor W, DAFFORNE, Gramm. 133 [1627]. Voor omtrént één ééw was de Z bij ons nóg búiten gebrúik; de Létterkonstenaars érkénden wel, dat 'er tót onze zagte en harde Uitspraak élk een bijzonder Léttertééken veréischt wierd; maar de ééne zag de Z aan op de Hóógdúitsche wijze, als Schérp, en de andere op de Fransche, als Zagt; dús bleeven veele Geléérden nóg een wijl bij de ówde gewoonte van S in béide gevallen te gebrúiken, L. TEN KATE, Aenl. 1, 121 [1723]. Men schryft nu z voor s in zyn, zuiver, zeven, zwaar, zien, en meer zulke woorden die van ene zagte uitsprake zyn. Doch ik hebbe gemerkt dat vele hier in dikwyls missen, niet recht onderscheidende wat woorden een z of een s vereischen, NYLOË, Aanl. Nederd. Taal 43 [1746]. Ik beken ..., hoe welgegrond de spelling van Siegenbeek ook zij, dat de z in zamen een wanstaltig voorkomen heeft, als regtstreeks strijdig zijnde met de eenparige uitspraek; weshalve ik zeer genegen ben om in dit woord de spelling van Bilderdijk te volgen, Arch. Ned. Taalk. 4, 336 [1854]. De z, als Grieksche letterfiguur, ... heeft haar Griekschen naam met eenige verzachting behouden, en wy heeten haar zedde, Ned. Taal 5, 229 [1860]. Eene groote Z .... Eene kleine z .... Twee zeds, KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862]. — Van a tot z, van het begin tot het einde; geheel en al, door en door; (Gron.) van een verzameling: allemaal; zonder uitzondering (laatste aanh.). Zie ook Dl. I, 9. || DELINOTTE en NOLEN [1891]. — Ik ben van de week by de jonge Mevrouw gegaan, om het geval heel voorzichtig te zeggen; maar zy wist alles van A tot Z! WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 273 [1785]. Gij hoort, van a tot z, geheel ons wedervaren, STARING 1, 100 [1820]. Hij kent het van A tot Z, HARREB. 1, 1 a [1858]. Al't volk in stad van a tot zedde, Ligt hier tot 's mörgens loat op bedde, MOLEMA (hs) [1895]. — Van iem. met een kromme gestalte wordt gewest. wel gezegd: Hij lijkt naar eene Z, is geschapen als eene Z (KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862]), of hij is zoo krom als een zetta (JOOS [1900]). Zie ook nog z-vormig onder de Samenst. 2) (Meton.) In een woordenboek, encyclopedie, adresboek e.d. de gezamenlijke woorden die met een z beginnen. Steeds met bep. lidw. en hoofdletter („de Z”). || V. DALE [1898 ®]. — Ik begin nu aan de Z, KUIPERS [1901]. De Z is af, KOENEN [1920]. C) In afgeleid gebruik als getalteeken, muntteeken, symbool e.d.1) (Wisk.) Teeken voor een onbekende of veranderlijke grootheid, bep. de derde onbekende grootheid (waarbij x de eerste en y de tweede onbekende is). Doorgaans met kleine letter. || KRAMERS, Kunstwdt. [1886]. KUIPERS [1901]. Z, in algebra het teeken voor de 3de onbekende of wel de veranderlijke grootheid (ordinaat) in de analytische meetk. in de ruimte, FAASSEN, Techn. Wdb. [1906]. — De nieuwe (wiskundigen) stellen voor het begeerde x, of y, of z, dat is de drie, of meer achterste letteren van 't abc, en voor de gegevene stellenze de voortste letteren, als a, b, c, d, &c, A. DE GRAAF, Mathesis 251 b [1694]. Stellende voor de guldens die yder heeft x, y, en z, zoo vintmen door het geseyde de volgende æquatien enz., 284 a [1694]. 2) (Veroud.) Romeinsch getalteeken voor het getal tweeduizend. Steeds met hoofdletter. || WEIL., Kunstwdb. [1824 ®]. MARTIN [1829]. KOENEN [1903]. Z, als romeinsch cijfer = 2000; thans echter niet meer als zoodanig in gebruik, WINKLER, Handwdb. Graf. V. [ed. 1920]. 3) Op oude Fransche munten het teeken van de muntstad Grenoble. || G. NIEUWENHUIS, Wdb. v. K. en W. [1829]. Z. Op fransche muntspeciën beteekent deze letter, dat zij te Grenoble geslagen zijn, Ned. Handelsmag. [1843]. WEEVERINGH [1888]. DE BEER en LAURILLARD [1899]. KUIPERS [1901]. HAGERS, Handelslex. [1919]. 4) (Scheik.) Symbool voor zirconium. || BAALE [1913]. Samenst. en samenst. afl. Z-as, (meetk.) de derde as in een driedimensionaal assenstelsel, die loodrecht op de x-as en de y-as staat (zie ook ald.). || In de analytische meetkunde is de as de lijn, waarop de coördinaten van verschillende punten worden uitgezet; gewoonlijk neemt men daarvoor een Assenstelsel aan, ... voor een lichaam drie assen X, Y en Z, rechthoekig op elkaar, welke men dan de X-as, Y-as en Z-as noemt, ZWIERS 1, 50 b [1920]. — Z-ijzer, (techn.) ijzeren staaf of balk waarvan de doorsnede min of meer den vorm van een Z heeft. || Z-ijzer. ... Stafijzer, waarvan de doorsnede op een Z gelijkt, TIDEMAN, Wdb. v. Scheepsb. [1861]. BOOM, Zeem. Wdb. [1888]. Vivat's Encyclop. [1906]. TEN BOSCH, Viert. Techn. Wdb. [1911]. ZWIERS 2, 238 b [1920]. — Z-vormig. || Z-vormig, gevormd als eene Z, zigzagsgewijs; ook van een mensch: krom en mismaakt, KRAMERS, Kunstwdt. [1847].

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

If you have the time, please place comments on the no comments place please
      STARTER          REDUX        ARCHIEF (NL)         International BLOG        NL LOG       SHOP               monADs